Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten!

Was sind das für Zeiten, wo
Ein Gespräch über Bäume fast ein Verbrechen ist
Weil es ein Schweigen über so viele Untaten einschließt!

1

Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten stelde Bertolt Brecht vast in een van zijn bekendste gedichten, geschreven aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Immers, wat waren dat voor tijden waarin een gesprek over bomen al bijna een misdaad was, omdat het een zwijgen inhield over zoveel wandaden?

vleugelnootboom bis

In wat voor tijden leven we? Het lijkt me dat de vraag die Brecht bezig hield anno 2015, zo’n 75 jaar na dato, opnieuw zou mogen worden gesteld.

Het Midden Oosten staat in brand. Behalve het langslepende conflict tussen Israël en de Palestijnen woeden er nu ook oorlogen en burgeroorlogen in Irak, Libië, Jemen en Syrië. Het aantal doden in Syrië alleen is de 180.000 inmiddels gepasseerd en in Syrië en Irak zaait terreurbeweging Islamitische Staat (IS) dood en verderf.

De chaos in het Midden Oosten is mede een gevolg van westerse interventies: het verjagen van de Irakese dictator Saddam Hussein tijdens de Tweede Golfoorlog in 2003 door de VS en Groot Brittannië creëerde tenslotte het machtsvacuüm waar IS nu van profiteert. En ook in Libië, waar Moammar al-Qadhafi mede dankzij luchtbombardementen door Navo-vliegtuigen uit het zadel werd gelicht, is IS volgens recente berichten nu aan een opmars bezig.

De oorlogen in het Midden Oosten en Libië hebben vluchtelingenstromen op gang gebracht die inmiddels al lang niet meer in de regio zelf alleen kunnen worden opgevangen. Een groeiend aantal mensen uit door oorlog geteisterde gebieden doet een beroep op onze Europese gastvrijheid, en dat aantal zou nog groter zijn, wanneer niet van te voren al een deel van hen tijdens de overtocht in veel te volle, gammele bootjes in de golven van de Middellandse en Egeïsche Zee zou zijn verdronken.

Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten …

2

En is dat alles? Ik ben bang van niet. Want er is niet alleen een groeiend vluchtelingenprobleem als gevolg van chaos en oorlogen in het Midden Oosten, er is ook een klimaatprobleem dat volledig uit de hand dreigt te lopen, en tengevolge waarvan toekomstige, nog veel grotere vluchtelingenstromen nu al lijken te zijn voorgeprogrammeerd.

Van een noemenswaardige en noodzakelijke reductie van broeikasgassen als CO2 is nog altijd geen sprake. Tot nu toe nam de hoeveelheid, vooral door het aandeel der zogenaamde emerging economies (India, China), ieder jaar alleen maar toe. Nu blijkt uit metingen dat de CO2-uitstoot in 2014 voor het eerst sinds 40 jaar is gelijkgebleven. Of het hier om een echte trendbreuk, dan wel om een tijdelijk dipje gaat, is evenwel vooralsnog onduidelijk.

En wat werkelijk nodig is volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) om de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius te beperken, is een wereldwijde reductie van broeikasseen met 50 %, en een reductie van 60-80 % in de geïndustrialiseerde landen. Daarvan zijn we nog heel ver verwijderd. Hoeveel tijd er nog rest, ja zelfs of er überhaupt nog tijd rest om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de aarde voor mens en dier bewoonbaar te houden, weet niemand.

Intussen was de CO2-uitstoot in Nederland in het tweede kwartaal van 2015 4,1 procent hoger dan het jaar daarvoor.

De gevolgen van de wereldwijde klimaatverandering zijn inmiddels overal zichtbaar: steeds meer materiële schade door extremere weersomstandigheden, een drastische afname van biodiversiteit, dat wil zeggen het uitsterven van een groeiend aantal dier- en plantensoorten, en last but not least terugtrekkende gletsjers en het smelten van de ijskappen op Groenland en Antarctica, met als gevolg een stijging van de zeespiegel.

Uiteindelijk zou door het volledig smelten van de IJskap op Groenland de zeespiegel met 6-7 meter kunnen stijgen, terwijl het volledig smelten van het landijs op Antarctica goed is voor een zeespiegelstijging van 60 meter. Daar kun je geen dijken meer tegen bouwen.

Op dit ogenblik leeft 50% van de wereldbevolking in overstromingsgevoelige delta- en kustgebieden. De verwachting is dat dat percentage in 2050 gestegen zal zijn tot 70%. Door de klimaatverandering zal dus een groot deel van de wereldbevolking in de toekomst in toenemende mate te maken krijgen met levensbedreigende overstromingen. Vaak gaat het daarbij om landen die veel te arm zijn en over te weinig materiële middelen beschikken om aan de dreiging van buiten hun oevers tredende rivieren en een stijgende zeespiegel effectief het hoofd te kunnen bieden.

En dus zullen er klimaatvluchtelingenstromen op gang komen die in omvang de huidige vluchtelingenstromen door oorlogen en burgeroorlogen in het Midden Oosten vele malen zullen overtreffen.
De ontwrichtende werking die daarvan zal uitgaan kan nauwelijks worden overschat.

Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten!

3

Is het ruimteschip Aarde, deze Titanic waarop we ons met z’n allen bevinden, nog te redden?
Niet zo lang de koers niet wordt verlegd. Niet zolang het aan politieke wil en gevoel voor urgentie ontbreekt. Niet ook zolang wij onszelf niet afvragen hoe we een deel van de oplossing kunnen worden, in plaats van een deel te blijven van het probleem.

4

Dit blog leefde tot nu toe van een vrijwel exclusieve aandacht voor de schoonheid van de natuur, voor vogels, insecten, bloemen, planten, paddenstoelen, bomen … Dat wringt in een tijd dat IS mensen onthoofdt en verbrandt, kinderen verdrinken in zee en oorlogsvluchtelingen wanhopig op zoek naar een veilig bestaan aan onze deuren kloppen.

Was sind das für Zeiten, wo ein Gespräch über Bäume fast ein Verbrechen ist
weil es ein Schweigen über so viele Untaten einschließt?

Ik heb besloten het even niet meer over bomen te hebben.

AN DIE NACHGEBORENEN:

 

Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten!

Das arglose Wort ist töricht. Eine glatte Stirn
Deutet auf Unempfindlichkeit hin. Der Lachende
Hat die furchtbare Nachricht
Nur noch nicht empfangen.

Was sind das für Zeiten, wo
Ein Gespräch über Bäume fast ein Verbrechen ist
Weil es ein Schweigen über so viele Untaten einschließt!
Der dort ruhig über die Straße geht
Ist wohl nicht mehr erreichbar für seine Freunde
Die in Not sind?

Es ist wahr: ich verdiene noch meinen Unterhalt
Aber glaubt mir: das ist nur ein Zufall. Nichts
Von dem, was ich tue, berechtigt mich dazu, mich satt zu essen.
Zufällig bin ich verschont. (Wenn mein Glück aussetzt
Bin ich verloren.)

Man sagt mir: iß und trink du! Sei froh, daß du hast!
Aber wie kann ich essen und trinken, wenn
Ich es dem Hungernden entreiße, was ich esse, und
Mein Glas einem Verdurstenden fehlt?
Und doch esse und trinke ich.

Ich wäre gerne auch weise
In den alten Büchern steht, was weise ist:
Sich aus dem Streit der Welt halten und die kurze Zeit
Ohne Furcht verbringen
Auch ohne Gewalt auskommen
Böses mit Gutem vergelten
Seine Wünsche nicht erfüllen, sondern vergessen
Gilt für weise.
Alles das kann ich nicht:
Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten!
                                   2

In die Städte kam ich zu der Zeit der Unordnung
Als da Hunger herrschte.
Unter die Menschen kam ich zu der Zeit des Aufruhrs
Und ich empörte mich mit ihnen.
So verging meine Zeit
Die auf Erden mir gegeben war.

Mein Essen aß ich zwischen den Schlachten
Schlafen legt ich mich unter die Mörder
Der Liebe pflegte ich achtlos
Und die Natur sah ich ohne Geduld.
So verging meine Zeit
Die auf Erden mir gegeben war.

Die Straßen führten in den Sumpf meiner Zeit
Die Sprache verriet mich dem Schlächter
Ich vermochte nur wenig. Aber die Herrschenden
Saßen ohne mich sicherer, das hoffte ich.
So verging meine Zeit
Die auf Erden mir gegeben war.

Die Kräfte waren gering. Das Ziel
Lag in großer Ferne
Es war deutlich sichtbar, wenn auch für mich
Kaum zu erreichen.
So verging meine Zeit
Die auf Erden mir gegeben war.
                             3

Ihr, die ihr auftauchen werdet aus der Flut
In der wir untergegangen sind
Gedenkt
Wenn ihr von unseren Schwächen sprecht
Auch der finsteren Zeit
Der ihr entronnen seid.

Gingen wir doch, öfter als die Schuhe die Länder wechselnd
Durch die Kriege der Klassen, verzweifelt
Wenn da nur Unrecht war und keine Empörung.

Dabei wissen wir ja:
Auch der Haß gegen die Niedrigkeit
Verzerrt die Züge.
Auch der Zorn über das Unrecht
Macht die Stimme heiser. Ach, wir
Die wir den Boden bereiten wollten für Freundlichkeit
Konnten selber nicht freundlich sein.

Ihr aber, wenn es soweit sein wird
Daß der Mensch dem Menschen ein Helfer ist
Gedenkt unsrer
Mit Nachsicht.

Bertolt Brecht