Over insecten, biodiversiteit en de onmogelijkheid van oneindige economische groei

Wie regelmatig de krant leest zal het niet zijn ontgaan: onze insecten sterven in hoog tempo uit.

Zo meldt de Volkskrant op 18 oktober 2017 dat sinds 1990 de hoeveelheid insecten in Duitse natuurgebieden met maar liefst 75 procent is gedaald. Dat blijkt uit een langjarig onderzoek in 63 beschermde natuurgebieden door onderzoekers van het Entomologisch genootschap Krefeld.[1]

Het onderzoek kreeg bijval van insectenbiologen, maar er was ook kritiek. Die kwam erop neer dat er op te weinig locaties te onregelmatig (d.w.z. niet elk jaar) zou zijn gemeten om een statistisch betrouwbaar beeld te geven van wat er nu werkelijk aan de hand is[2].

Je hoopt dan natuurlijk dat dat waar is: dat het meevalt met de achteruitgang van onze insecten, of dat die op zijn minst statistisch niet overtuigend zou zijn aangetoond. Zoals je ook de klimaatsceptici het liefst gelijk zou willen geven dat er helemaal niets aan de hand is met ons klimaat…

Wishful thinking

Onderzoek van eigen bodem bevestigt inmiddels het beeld dat uit het Duitse onderzoek naar voren kwam. Wetenschappers van de Radboud Universiteit en EIS Kenniscentrum Insecten analyseerden twee langlopende studies naar insectenpopulaties in natuurgebieden in Drenthe en Noord-Brabant en kwamen tot de conclusie dat het aantal loopkevers bij Wijster in 22 jaar gedaald is met maar liefst 72 procent terwijl het aantal nachtvlinders in De Kaaistoep in Noord-Brabant in twintig jaar tijd met 54 procent daalde (zie >hier.) Ook andere insectengroepen werden onderzocht en laten afnamepercentages van 64 procent in twintig jaar (kevers) en 62 procent in 10 jaar (kokerjuffers) zien.

Onze insecten leggen dus massaal het loodje. Is dat erg? Veel mensen houden immers helemaal niet van die akelige kriebelbeestjes waar je alleen maar last van hebt, die voortdurend om je oren zoemen, schade veroorzaken aan gewassen en soms ook nog venijnig steken of akelige ziektes overdragen?

Zeker is dat erg. Het nut van insecten is immers vele malen groter dan de last die je er soms van hebt. Insecten zorgen voor een gezond bodemleven, ze zijn onmisbaar als bestuivers van bloemen en gewassen en ze vormen een belangrijke voedselbron voor vogels en zoogdieren. Gaat het slecht met de insecten, dan gaat het ook slecht met heel veel vogelsoorten. En soms zijn insecten, denk bijvoorbeeld aan tal van libelles, ook nog betoverend mooi.

De dramatische achteruitgang van onze insecten past in een wereldwijde trend van achteruitgaande biodiversiteit: overal op aarde sterven op dit moment dieren en planten in een ongekend hoog tempo uit. In ons eigen land, waarschuwt de Waddenvereniging, staan vogel- en visstand in het Waddengebied sterk onder druk. En het Living Planet Report van het Wereld Natuur Fonds uit 2016 meldt dat tussen 1970 en 2012 de populaties wilde dieren met gemiddeld 58 procent zijn afgenomen en dat bij ongewijzigd beleid in 2020 twee derde van de populaties zoogdieren, vogels,vissen, reptielen en amfibieën zal zijn verdwenen[3].

Paul Ehrlich, vermaard bioloog en bekend van onder andere de Club van Rome, onderzocht samen met twee collega’s gegevens van 27.600 gewervelde diersoorten en concludeerde dat een derde daarvan in verval is en dat van 177 onderzochte zoogdiersoorten bijna de helft de afgelopen eeuw meer dan de helft van zijn oorspronkelijke leefgebied heeft ingeboet. Voor biologen is het duidelijk dat we ons middenin een nieuwe uitsterfgolf bevinden en dat het ergste nog komen gaat[4].

De dramatische achteruitgang van biodiversiteit kent ongetwijfeld allerlei specifieke oorzaken, afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en de soorten waar het om gaat. Maar uiteindelijk blijft er maar één oorzaak over, en dat is de mens. Aan dit door de mens veroorzaakte uitsterven van diersoorten zou ik drie, nauw met elkaar samenhangende aspecten willen onderscheiden:

  1. de groei van de wereldbevolking, die tot gevolg heeft dat mensen hun eigen leefruimte steeds verder uitbreiden ten koste van het leefgebied van andere diersoorten,
  2. de door de mens veroorzaakte klimaatverandering die, afgezet op een geologische tijdschaal, zo razendsnel gaat dat veel diersoorten zich daar niet langer aan kunnen aanpassen,
  3. onze fixatie op een nooit aflatende economische groei, zonder rekening te houden met de ecologische grenzen die daaraan zijn gesteld.

Over klimaatverandering heb ik al vaker wat gezegd en het probleem van een groeiende wereldbevolking laat ik om dit stukje niet te lang te laten worden nu maar even buiten beschouwing.  Ik beperk mij in het nu volgende gemakshalve even tot dat laatste aspect van de economische groei.

Welnu, om maar meteen met de deur in huis te vallen: economische groei, daar moeten we van af! Het is een illusie om te denken dat in een eindige wereld, waarin alles een keer opraakt, economieën oneindig zouden kunnen blijven groeien. Nu al hebben we voor ons huidige productie- en consumptieniveau 1.7 keer de aarde nodig, zodat we onophoudelijk roofbouw plegen op de natuur. We gebruiken ieder jaar meer grondstoffen dan de aarde kan regenereren, economische groei draagt, zolang er nog fossiele brandstoffen worden gebruikt, bij aan klimaatverandering, leidt tot verdere ontbossing, verlies aan biodiversiteit, achteruitgang van de visstand, waterschaarste en vervuiling. De simpele waarheid, of we dat nou leuk vinden of niet, is dat onze aarde de milieugevolgen van een ontketend kapitalistisch systeem dat alsmaar wil groeien niet kan behappen.

Maar is er dan geen duurzame economische groei mogelijk, waar iedereen, bedrijven, overheid, economen, politieke partijen, enzovoort, tegenwoordig zo de mond vol van heeft?

Het antwoord is nee. Natuurlijk is het wenselijk steeds efficiënter te produceren, minder te verspillen, zuiniger te zijn met energie, grondstoffen te hergebruiken, en ga zo maar door. Maar in het beste geval zal het resultaat daarvan zijn dat je relatieve afhankelijkheid van met name grondstoffen afneemt. Je zult dan om economische groei te realiseren minder nieuwe grondstoffenbronnen hoeven aanboren dan zonder al die maatregelen. Maar het is, als je economisch wilt blijven groeien, eenvoudig fysiek onmogelijk dat beroep op meer grondstoffen tot nul te reduceren. Dat zou een economische groei zijn die zich volledig van zijn materiële basis heeft geëmancipeerd. Niets wijst erop dat zoiets kan. Economische processen spelen zich nu eenmaal niet af in een immaterieel engelenrijk, maar gewoon op aarde zelf.

Economische groei zonder de natuur verder te belasten en natuurlijke hulpbronnen nog meer uit te putten, is dus niet mogelijk. En omdat we voor het huidige niveau van onze productie en consumptie al een aarde nodig hebben die 1.7 maal zo groot is als zij werkelijk is, zullen we het in de toekomst niet met meer maar met minder moeten doen. Dat is de enige begaanbare weg, willen we niet aan het eind van het liedje een planeet overhouden die voor mens en dier net zo onbewoonbaar is als de maan of Mars.

Maar eenvoudig wordt het niet.

Allereerst kunnen we natuurlijk derdewereldlanden met een bbp dat vele malen kleiner is dan het onze en waar de bevolking nog grotendeels in armoede leeft, het recht op economische groei niet ontzeggen. Alleen leven wij niet in een derdewereldland, maar in het rijke westen, waar bijna iedereen zo onderhand wel omkomt in de spullen. Dan wordt het hameren op de noodzaak van economische groei al een stukje minder plausibel. Toch is het niet helemaal onbegrijpelijk dat ook wij in ons deel van de wereld zo hardnekkig blijven vasthouden aan de fictie dat oneindige groei in een eindige wereld maar gewoon moet kunnen. Want op korte termijn heeft economische groei ontegenzeggelijk voordelen. Het leidt tot meer werkgelegenheid, meer inkomsten voor particulieren en overheid, minder uitgaven aan werkeloosheidsvoorzieningen, meer financiële ruimte om leuke dingen te doen voor de mensen, en ga zo maar door. En onze gehechtheid aan alsmaar nieuwe spullen die we dankzij de economische groei kunnen kopen, heeft waarschijnlijk ook een sociaalpsychologische dimensie: met de spullen die we hebben etaleren we onze lifestyle, we ontlenen er een deel van onze identiteit aan, en we voelen ons misschien ook wel een beetje beter als we meer hebben dan de buurman …

Daar komt nog bij dat onze kapitalistische economie maar twee modi lijkt te kennen: of de economie groeit, of het is crisis. Andere smaken lijken er niet te zijn, maar het is duidelijk: geen van beide is wenselijk.

Waar we dus ernstig over moeten nadenken is een andere wijze van produceren en consumeren die in balans is met wat de natuur van ons verlangt, een ander economisch paradigma. 

En intussen zullen we ons moeten afvragen of wijzelf wel zo goed bezig zijn, en wat we zelf kunnen doen. Is die vliegvakantie naar verre, zonnige oorden wel zo nodig? Zouden we niet liever een bestemming wat dichter bij huis kiezen die ook met de trein bereikbaar is? Moeten we iedere dag vlees eten? Iedere dag met de auto naar ons werk in plaats van met de (elektrische) fiets of het openbaar vervoer? Hebben we die nieuwe spullen die we zo graag willen hebben nu wel echt nodig?

Dat we op die manier de aarde redden, kan ik niet garanderen. Dat we onherroepelijk een voor mens en dier onleefbare planeet overhouden wel … als we er niet in slagen onze consumptiedriften drastisch te beteugelen, en afscheid te nemen van de illusie van een oneindige economische groei op onze eindige planeet.

[1]              Hallmann, C., More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas, Plos One, 18 okt. 2017

[2]              Jaspers, A., Ernsige zwakheden in alarmerend onderzoek naar vliegende insecten, NEMO kennislink, 14 nov. 2017

[3]              Bericht in Trouw, 26 oktober 2016

[4]              De Volkskrant, 12 juli 2017

 

Meer weten over dit onderwerp?

Jackson, T., Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Jan v. Arkel, Utrecht 2010

Of meer lezen over de dingen die ik op dit blog bij elkaar geschreven heb? Over klimaatverandering, over ganzen, over Heer Bommel en Tom Poes, of over een gruwelijke moord in Hengelo? Zoek dan op “teksten”.

Gotta Serve Somebody

Wanneer heeft het leven zin? ‘k Heb daar eens een interessante verhandeling over gelezen van Christian Enzensberger 1). Het leven heeft pas zin wanneer je je verbonden weet met iets wat groter is dan jezelf. Religie heeft natuurlijk eeuwenlang die functie vervuld een allesomvattende zin en betekenis te geven aan het leven, net als in de twintigste eeuw het marxisme, dat behalve wetenschap toch ook een soort van geseculariseerde religie was. De huidige tijd lijkt mij vooral gekenmerkt door een schrijnend zindeficiet. Dat moet ook Bob Dylan zo gevoeld hebben toen hij Gotta Serve Somebody schreef. Een intrigerend lied. Het staat op het Slow Train Coming album uit 1979, het begin van Dylans religieuze periode. Hier mijn versie:

 

  1. Enzensberger, C., Literatur und Interesse, Suhrkamp, Frankfurt/M, 1977